Naar Zijn beeld
Hoe dichter ik de plaats van mijn bestemming nader, hoe stiller het wordt. Het is of alles wat leeft de adem inhoudt om mij te begeleiden. Heilig ontzag vervult mijn denken. In mij trilt een onpeilbaar diep verlangen, doorvlochten met heimwee en schrijnende pijn.
Een heldere lach doorbreekt de stilte. Zonder te weten wie daar lacht, proef ik een vreugde van hemelse diepte. Het paradijs waar ik naar zoek moet heel dicht bij mij zijn. Diep duik ik op mijn hurken, luisterend naar elk geluid. Mag ik verder lopen? Sta ik misschien op heilige grond? Ik zie in mijn verbeelding die plaat van die engel met dat geweldige grote zwaard, staande voor de ingang van het paradijs. Gesloten voor mensen waar ik familie van ben…
Meer kruipend dan lopend vervolg ik mijn tocht. Op zoek naar de oorsprong van alles wat mij zo intens beroert…
Het is als een stopteken vanuit de hemel. Een rivier blokkeert mijn weg. Bruisend water. Helder als kristal. Alles getuigt van leven. De bomen zijn groener dan ooit. Vissen springen boven het water en lelies vertonen een schoonheid zoals ik nooit heb gezien. Een heerlijke bries maakt het beeld compleet. Zou Gods stem daarin zijn verweven? Ik weet het zeker: aan de overkant van de bruisende rivier ligt het paradijs. De schitterende hof van Eden. Daar waar God Zijn schepping kroonde door een mens uit het stof te boetseren. Geheel naar Zijn Beeld.
Ik tuur naar de overkant. Bijna beschaamd. Want hoe zouden mijn ogen zo veel moois en heiligs kunnen zien? Een leeuw en een lam liggen naast elkaar, genietend in het groene gras. Vrede en één en al harmonie. Bekende woorden dringen zich op: “En zie het was zeer goed”.
Als een magneet worden mijn ogen naar een ander beeld getrokken. Een omhoog geheven hand strekt zich uit boven het struikgewas. Klaar om een prachtige vrucht te plukken. Een vreemdsoortig beest dat mij doet denken aan een giftige slang, kijkt daarbij toe.
De hand is verdwenen. De vrucht is geplukt. Het dier dat mij zo sterk aan een slang deed denken, is uit de boom geklommen. Een vreemde stilte vervult het heelal, maar zo heel anders als voorheen. De rivier bruist, maar de vreugde is eruit. De vissen lijken naar de diepte te zijn verdwenen. De leeuw is grommend opgestaan en het lam is duidelijk op de vlucht…
Ik maak mij nog kleiner en begin aan de terugtocht.
Brandnetels en distels plagen mij. Verbaasd vraag ik mij af waarom ik die op mijn tocht nog niet eerder had gezien. Zou het te maken hebben met de hand die plukte? Met dat beest dat daarbij zo duivels had toegezien? Ik ril en bid zonder ophouden. Tot die God Die ik van zo dichtbij heb ervaren en Die alles zo goed had geschapen…
Genesis 2,3